Champagne; de godendrank.

De wijn komt uit het gebied “la Champagne” en dat ligt rondom Reims en Epernay in het noorden Frankrijk. Honderd miljoen jaren geleden was dit gebied een enorme binnenzee waarin zich een dikke laag kalk heeft gevormd. De wijnstokken van de Champagne steken met hun wortels in die kalk terwijl de bovenlaag bestaat uit mergel en kiezelstenen. Vandaar dat Champagne zinnenprikkelende magnesium bevat.

In de Romeinse tijd hakte men uit die kalklaag blokken om gebouwen mee te maken. Door dat uithakken ontstonden de kilometers lange kelders waar nu de Champagne wordt opgeslagen. De moeite waard om die eens te bezoeken. Champagne wordt gemaakt van de blauwe druiven Pinot Noir en Pinot Meunier. Dat het ver uit grootste deel van de Champagne wijnen wit is, is overigens niet in tegenspraak met het feit dat in de wijngaarden de rode soorten domineren. Echter tijdens de oogst is snel uitpersen noodzakelijk om te voorkomen dat de velletjes van de rode druif zijn kleur afgeeft aan het sap. Het gebruik van oogstmachines in de champagne is daarom verboden, omdat het plat drukken van de druiven dan onvermijdelijk zou zijn.

De voorschriften waaraan de wijnboeren zich te houden hebben beginnen al op de wijnberg. De maximale opbrengsten per hectare liggen tussen de 100 tot 110 vaten van 100 kilo. De regels schrijven ook voor dat uit 160 kilogram druiven hoogstens 100 liter mag worden gebotteld. In de speciale ondiepe brede persen wordt iedere keer een hoeveelheid van exact 4000 kilo geperst. Uit de 4000 kilo perst men ongeveer 2500 liter.

Dan begint de eerste gisting van zo’n acht tot tien weken in grote tanks. De eikenhouten vaten van vroeger worden eigenlijk niet meer gebruikt behalve bij kleine traditionele Champagne huizen. Bij de het bottelen voor de tweede gisting worden natuurlijke giststoffen en een likeur van wijn waarin suiker is opgelost toegevoegd. Bij de tweede gisting komt er, net zoals bij de eerste, koolzuur vrij. Maar omdat de fles hermetisch is afgesloten blijven de bubbeltjes in de fles. Tijdens de gisting ontstaan er ook rest stoffen, het bezinksel. Om dat bezinksel uit de fles te verwijderen is een heel proces van handelingen nodig dat wel vijf maanden in beslag kan nemen. De flessen worden met de kurk naar beneden in Pupitres gezet. Een Pupitre bestaat uit twee, vijf centimeter dikke, van grote gaten voorziene planken. Beide planken zijn een meter breed en staan scherp schuin tegen elkaar (vijf over half vijf). De flessen worden om de paar dagen geschud, een klein beetje gedraaid en steeds schuiner gezet tot dat het bezinksel tegen de kurk aan ligt. Dan wordt de flessenhals (nog steeds met de kop naar beneden) bevroren en bevriest ook het propje bezinksel. De fles wordt met een ruk geopend en door de overdruk in de fles vliegt het propje er uit. De fles wordt bijgevuld met wijn en een beetje suiker en gekurkt. De laatste toevoeging bepaald het smaakniveau, brut, sec, demi sec en doux. Brut Champagne is een Champagne waarvan de geringe dosage is vastgelegd op 15 gram suiker per liter.

Normale Champagne moet één jaar oud zijn. In bijzonder goede oogstjaren wordt er ook een Millésime gemaakt. Voor de Millésime worden alleen druiven van dat jaar gebruikt. De Millésime moet drie jaar oud zijn om gedronken te kunnen worden. Dan is er nog de Blanc de Blanc, gemaakt van uitsluitend witte Chardonnay druiven. De Champagne Rosé wordt gemaakt van witte Brut met een scheut rode wijn.

"I drink champagne when I win, to celebrate . . .
and I drink champagne when I lose, to console myself."  (Napoleon Bonaparte)